![]() |
De eerste belangrijke conclusie: de visie van De Lijn mag zich niet beperken tot het stedelijke en regionale niveau. Het interregionaal vervoer in Vlaanderen valt tussen de verschillende aanbiedingen van openbaar vervoer in en biedt geen oplossing voor de vraag van de middellange afstandsreizigers die een snelle en frequente verbinding eisen.
De Lijn wenst een openbaar-vervoernetwerk uit te bouwen dat voldoet aan deze vraag. Dit zal samen met de nationale vervoeraanbieder NMBS verder bekeken worden om te komen tot een complementair en kwaliteitsvol interregionaal vervoer.
Het interregionaal vervoer kan je volgens de studie aanpakken via drie vervoersconcepten: de lighttrain, de sneltram en de snelbus. Beide spoorgebonden systemen betekenen concreet een snelle verbinding met een minimumsnelheid van 50 km/uur en een minimale frequentie van vier ritten per uur. Het verschil tussen beide is dat een lighttrain maximaal gebruik maakt van de bestaande spoorwegen en dat een sneltram nauwelijks of niet interfereert met de bestaande spoorinfrastructuur.
De Mobiliteitsvisie 2020 suggereert lighttrains in (willekeurige volgorde):
De visie voorziet sneltrams in (willekeurige volgorde):
Daarnaast worden volgende streken versterkt met regionale trams:
Binnen elke provincie is er nood aan een ruggengraat, de hoofdstructuur van het openbaar vervoer. Hiertoe dragen de lighttrains, sneltrams en regionale trams bij. Nieuwe verbindende en ontsluitende streeklijnen kunnen hierop aantakken om deze te versterken. In het rapport krijgt men per provincie een overzicht van de analyse en maatregelen om het streekvervoer te optimaliseren. Binnen de grootstedelijke gebieden voorzien we een verdere uitbreiding van de stadstram. Daarnaast worden extra (voor)stedelijke buslijnen voorzien. Deze informatie is terug te vinden bij de provinciale Mobiliteitsvisies.