![]() |
De laatste vier jaar heeft De Lijn Vlaams-Brabant een sterke uitbreiding van het aanbod gerealiseerd in het kader van START. Dit openbaar vervoerplan is integraal opgenomen in het Pegasusplan. Hierdoor is een groot van het Pegasusplan gerealiseerd. Andere projecten zitten nog volop in studiefase met haalbaarheidsstudies en overleg met de betrokken gemeenten en andere betrokkenen. Momenteel bevindt het nachtvervoer naar Zaventem Luchthaven zich in zo'n studiefase.
Het congres 'Mobiliteitsvisie De Lijn 2020' van 21 april 2009 vormt het startschot voor een open en constructieve dialoog met alle betrokken steden, gemeenten, provincie, administraties, belangenverenigingen, syndicale organisaties, RESOC, universiteiten en sociale gesprekspartners. De goede samenwerking tussen De Lijn en verschillende partners is immers belangrijk voor een maximale afstemming van de verschillende visies omtrent mobiliteit binnen de lokale noden en behoeften.
Op 17 november 2011 vond het intergemeentelijk overleg plaats in het Provinciehuis in Leuven. De burgemeesters en schepen van mobiliteit van de betrokken gemeenten hebben hier met De Lijn overlegd over de studies die De Lijn heeft opgestart voor 4 tramverbindingen uit de fase A (zie verder). De presentaties (pdf - 4,75 MB) van het intergemeentelijk overleg van 17 november 2011 vindt u hier.
De nood om een oplossing voor het mobiliteitsvraagstuk te vinden wordt in Vlaams-Brabant elke dag groter. De Mobiliteitsvisie 2020 Vlaams-Brabant - Brussel wil en kan op dat vlak een belangrijke bijdrage leveren. Het is echter onmogelijk om de volledige Mobiliteitsvisie 2020 van de ene dag op de andere in de praktijk te brengen. Een fasering van de voorgestelde maatregelen dringt zich omwille van verschillende redenen op.
Eerst en vooral vraagt de realisatie van de visie 2020 een belangrijke financiële inspanning naar investeringen in infrastructuur die verbonden zijn aan dit project. Om die investeringen te spreiden en meteen ook de hinder voor omwonenden te beperken, zullen de vele verschillende infrastructuurwerken niet gelijktijdig kunnen worden opgestart.
Verder moet voor de realisatie van bijvoorbeeld een nieuwe tramverbinding een lang parcours worden afgelegd. Zo moeten ondermeer detail- en effectenstudies worden uitgevoerd, de nodige vergunningen worden verkregen, administratieve verplichtingen vervuld en moet er ook overgegaan worden tot de uiteindelijke aanleg van de infrastructuur.
Op 1 juni 2010 heeft de provincieraad van Vlaams-Brabant zich gebogen over het projectplan. De provincieraad heeft, op voorstel van de deputatie, een motie aangenomen waarin de provincieraad "de Vlaamse regering oproept om het projectplan van De Lijn voor de realisatie van de Mobiliteitsvisie 2020 daadwerkelijk uit te voeren, gezien de nijpende mobiliteitsproblematiek in de provincie".
In een eerste fase wil De Lijn vier tramlijnen realiseren. Het gaat om de verbindingen:
De geselecteerde verbindingen zijn stuk voor stuk sterk complementair aan het voorziene GEN-netwerk. De radiale tramlijnen naar Brussel vormen een antwoord op de hiaten in het huidige spoornetwerk. De tram in de Rand rond Brussel verbindt de verschillende assen van het openbaarvervoernetwerk en ontsluit hiernaast ook een groot aantal attractiepolen in de Rand. Op die manier levert elk van deze vier verbindingen een bijdrage tot de ontlasting van de R0.
Op 29 juni 2011 duidde de Raad van Bestuur van De Lijn de studiebureaus BUUR en Royal Haskoning aan om deze voorbereidende tramstudie op te starten. In de loop van 2012 zullen deze studiebureaus een PlanMER maken voor 4 potentiële tramverbindingen. Tot op het einde van 2011 zullen deze studiebureaus eerst een zogenaamde "Trechteringstudie" maken voor elk van de 4 verbindingen. In deze trechteringstudie gaan ze eerst na welke alle mogelijke tracévarianten zouden kunnen zijn om een tramverbinding aan te leggen. Op basis van de volgende 6 criteria zal afgewogen worden welke tracévarianten zullen worden weerhouden:
De gekozen tracévarianten zullen in 2012 in de PlanMER-studie ten gronde worden bestudeerd. In de planning betekent dit dat het kennisgevingsdossier voor de PlanMER klaar is in maart 2012, zodat de publieke consultatie kan gebeuren in de maanden maart en april 2012. De opmaak van de PlanMER zal tijd nemen tot het einde van 2012, zodat de goedkeuring verwacht kan worden in het voorjaar van 2013.
Op 17 november 2011 vond het intergemeentelijk overleg plaats in het Provinciehuis in Leuven. De burgemeesters en schepen van mobiliteit van de betrokken gemeenten hebben hier met De Lijn overlegd over deze voorbereidende tramstudies. De presentaties van het intergemeentelijk overleg (pdf - 4,75 MB) vindt u hier.
Een aantal verbindingen komen in eerste instantie niet in aanmerking voor vertramming. Daar wordt gekozen om een sterk snelbusaanbod te ontwikkelen. Verschillende van die snelbusverbindingen worden op dit moment reeds aangeboden in het netwerk van De Lijn Vlaams-Brabant. Het betreft hier een verdere opwaardering van de kwaliteit van het bestaande aanbod:
Voor een verdere uitbouw van de snelbussen zijn er doorstromingsmaatregelen nodig.
In fase A voorziet De Ljin tevens een opwaardering van het netwerk van streeklijnen in de volledige provincie Vlaams-Brabant. Die opwaardering zal enerzijds het invullen van een aantal ontbrekende verbindingen omvatten. Anderzijds zal ook de kwaliteit van het huidige aanbod aan streeklijnen worden verhoogd om de vervoersvraag optimaal te kunnen beantwoorden.
We vestigen in dit kader al specifiek de aandacht op een aantal ontbrekende busverbindingen in het huidige netwerk die in de toekomst moeten worden ingevuld:
Om de duurzame ontsluiting van GEN-stations te garanderen, zijn versterkingen van het streeklijnennetwerk nodig. Deze GEN-toevoerlijnen versterken lokaal het aanwezige openbaarvervoeraanbod zodat de stationsomgevingen niet degenereren tot verkeersknelpunten. Het gaat hierbij ondermeer om een ontsluiting van knooppunten zoals Aarschot, Asse, Diest, Groenendaal, Merchtem, Liedekerke, Ternat, Tienen, Vilvoorde en Zaventem Luchthaven.
Gelijktijdig met de ontwikkeling van de Mobiliteitsvisie 2020 startte De Lijn Vlaams-Brabant een afzonderlijke detailstudie op die een toekomstige structuur moest uittekenen voor haar openbaarvervoernetwerk in de omgeving van Leuven. De resultaten van die studie worden in dit Projectplan ingepast. Er wordt uitgegaan van de volgende principes:
De verplaatsingsstromen vanuit het Pajottenland richten zich vooral op de Brusselse Rand en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Verder laten ook Halle, Ninove, Aalst, Asse en Geraardsbergen hun aantrekkingskracht in deze regio voelen.
De sneltramverbinding Gooik - Eizeringen - Dilbeek - Brussel ontsluit het Pajottenland in de richting van Brussel en vult zo een belangrijke missing link in in het GEN-netwerk.
Deze hoogwaardige verbinding moet verder worden ondersteund door een netwerk van streekbuslijnen. Dankzij een opwaardering van het netwerk van streeklijnen worden ook de openbaarvervoerverbindingen met de overige steden in de omgeving verder uitgebouwd. Ook de ontbrekende tangentiële verbinding Gooik - Asse zal hierbij worden ingevuld.
In het Pajottenland fungeert Gooik als functioneel knooppunt om vanuit deze minder dichbevolkte regio een duurzame ontsluiting aan te bieden in de richting van Brussel. Dit knooppunt moet voorzien worden van de nodige halteaccomodatie zodat de bijzondere functie ervan binnen het netwerk kan worden ingevuld.
De mobiliteitsvraag vanuit het Hageland focust op Leuven, Aarschot, Diest en Tienen. Via de opwaardering van het busnetwerk in regio Leuven wordt het Hageland beter ontsloten in de richting van Leuven. Verder stelt de opwaardering van het streeklijnennetwerk zich hier tot doel de kernen in het Hageland te verbinden met de centra van Aarschot, Diest en Tienen.
In het huidige netwerk vormt Tielt-Winge een functioneel knooppunt in de regio van het Hageland. Ook in de toekomst zal deze gemeente een verzamelpunt blijven in het openbaarvervoernetwerk. Van daaruit kan het Hageland duurzaam worden ontsloten naar Leuven en de overige omliggende steden Aarschot, Diest en Tienen. Ook Kortenaken vervult een belangrijke rol als functioneel knooppunt in het openbaarvervoernetwerk in deze regio.
In de regio's Pajottenland en Hageland vroegen de lokale besturen tijdens de dialoog nadrukkelijk naar aanbod van vraagafhankelijk openbaar vervoer via belbussen. Die flexibele vorm van openbaar vervoer is uiterst geschikt om een aanbod te verzekeren in gebieden binnen deze regio's waar de vervoersvraag relatief gezien minder hoog is.